Officiële website van Jehovah’s Getuigen
1 De oudere man aan de uitverkoren edele vrouw en aan haar kinderen, die ik waarlijk liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid hebben leren kennen, 2 wegens de waarheid die in ons blijft, en ze zal tot in eeuwigheid met ons zijn. 3 Er zal onverdiende goedheid met ons zijn, barmhartigheid [en] vrede van God, [de] Vader, en van Jezus Christus, de Zoon van de Vader, met waarheid en liefde.
4 Ik verheug mij zeer omdat ik onder uw kinderen enigen aangetroffen heb die in de waarheid wandelen, zoals wij een gebod van de Vader hebben ontvangen. 5 Nu verzoek ik u daarom, edele vrouw, als [iemand] die u niet een nieuw gebod schrijft, maar een [gebod] dat wij van [het] begin af hebben gehad, dat wij elkaar liefhebben. 6 En dit betekent de liefde, dat wij volgens zijn geboden blijven wandelen. Dit is het gebod, zoals gijlieden van [het] begin af hebt gehoord, dat GIJ daarin moet blijven wandelen. 7 Want er zijn vele bedriegers tot de wereld uitgegaan, personen die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de bedrieger en de antichrist.
8 Let op UZELF, opdat GIJ de dingen die door ons werk tot stand zijn gebracht, niet verliest, maar een volledige beloning moogt verkrijgen. 9 Een ieder die vooruitdringt en niet blijft in de leer van de Christus, heeft God niet. Wie in die leer blijft, hij heeft zowel de Vader als de Zoon. 10 Als iemand tot U komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem nimmer in UW huis en richt ook geen groet tot hem. 11 Want wie een groet tot hem richt, heeft deel aan zijn goddeloze werken.
12 Ofschoon ik U vele dingen te schrijven heb, wens ik het niet met papier en inkt te doen, maar ik hoop bij U te komen en van aangezicht tot aangezicht met U te spreken, opdat GIJ in volledige mate vreugde moogt hebben.
13 De kinderen van uw zuster, de uitverkorene, zenden u hun groeten.