Officiële website van Jehovah’s Getuigen

Startpagina Beliefs Future Medical Topics Contact Publications Languages

Onlinebijbel

Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift

InhoudVorigeVolgende

Obadja 1-21

1 Het visioen van Oba̱dja:

Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd betreffende E̱dom: „Een bericht hebben wij van Jehovah gehoord en een afgezant is onder de natiën gezonden: ’Staat op en laten wij ertegen opstaan ten strijde.’”

2 „Zie! Klein heb ik u gemaakt onder de natiën. Gij wordt zeer veracht. 3 De overmoed van uw hart heeft u bedrogen, gij die verblijf houdt in de schuilhoeken van de steile rots, de hoogte waar hij woont, terwijl hij in zijn hart zegt: ’Wie zal mij omlaaghalen naar [de] aarde?’ 4 Indien gij uw plaats hoog zoudt maken als de arend, of indien tussen de sterren uw nest geplaatst werd, naar omlaag zou ik u vandaar halen”, is de uitspraak van Jehovah.

5 „Indien het dieven waren die bij u binnenkwamen, indien er ’s nachts gewelddadige plunderaars [binnenkwamen], in welke mate zoudt gij tot zwijgen zijn gebracht? Zouden zij niet stelen zoveel als zij wilden? Of indien het druivenlezers waren die bij u binnenkwamen, zouden zij niet wat nalezingen overlaten? 6 O de mate waarin degenen van E̱sau zijn doorzocht! [Hoe] zijn zijn verborgen schatten opgespoord! 7 Tot aan de grens hebben zij u gezonden. Juist de mannen die in een verbond met u staan, hebben u allen bedrogen. De mannen in vrede met u hebben u overweldigd. Degenen die voedsel met u [eten], zullen een net onder u plaatsen als [onder] iemand in wie geen onderscheidingsvermogen is. 8 Zal het niet op die dag zijn?”, is de uitspraak van Jehovah.

„En ik zal stellig de wijzen uit E̱dom verdelgen, en het onderscheidingsvermogen uit het bergland van E̱sau. 9 En uw sterke mannen moeten verschrikt worden, o Te̱man, omdat elkeen door doding afgesneden zal worden uit het bergland van E̱sau. 10 Vanwege de gewelddaad tegenover uw broeder Ja̱kob zal schaamte u bedekken, en gij zult tot onbepaalde tijd afgesneden moeten worden. 11 Op de dag dat gij afzijdig stondt, op de dag dat vreemden zijn krijgsmacht in gevangenschap voerden en [dat] volslagen buitenlanders zijn poort binnenkwamen en zij over Jeru̱zalem het lot wierpen, waart ook gij als een van hen.

12 En gij hadt niet mogen kijken naar wat er te zien was op de dag van uw broeder, op de dag van zijn tegenspoed; en gij hadt u niet mogen verheugen over de zonen van Ju̱da op de dag dat zij omkwamen; en gij hadt geen grote mond mogen opzetten op de dag van [hun] benauwdheid. 13 Gij hadt niet in de poort van mijn volk mogen komen op de dag van hun ongeluk. Gij, ja gij, hadt niet naar zijn rampspoed mogen turen op de dag van zijn ongeluk; en gij hadt geen hand mogen uitsteken naar zijn vermogen op de dag van zijn ongeluk. 14 En gij hadt niet aan de splitsing van de wegen mogen staan, om zijn ontkomenen af te snijden; en gij hadt zijn overlevenden niet mogen uitleveren op de dag van benauwdheid. 15 Want de dag van Jehovah tegen alle natiën is nabij. Zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden. Uw soort van behandeling zal op uw eigen hoofd terugkomen. 16 Want zoals gijlieden hebt gedronken op mijn heilige berg, zullen alle natiën voortdurend blijven drinken. En ze zullen stellig drinken en inzwelgen en worden als waren ze nooit geweest.

17 En op de berg Si̱on zullen de ontkomenen blijken te zijn, en die moet iets heiligs worden; en het huis van Ja̱kob moet de dingen in bezit nemen die zij moeten bezitten. 18 En het huis van Ja̱kob moet een vuur worden, en het huis van Jo̱zef een vlam, en het huis van E̱sau als stoppels; en zij moeten hen in brand steken en hen verteren. En er zal voor het huis van E̱sau geen overlevende blijken te zijn; want Jehovah zelf heeft [het] gesproken. 19 En zij moeten de Ne̱geb in bezit nemen, ja het bergland van E̱sau, en de Sjefe̱la, ja de Filistijnen. En zij moeten het veld van E̱fraïm en het veld van Sama̱ria in bezit nemen; en Be̱njamin [moet] Gi̱lead [in bezit nemen]. 20 En wat de ballingen van deze voormuur betreft, aan de zonen van I̱sraël zal toebehoren wat de Kanaänieten [bezaten] tot aan Sa̱rfath toe. En de ballingen van Jeru̱zalem, die in Sefa̱rad waren, zullen de steden van de Ne̱geb in bezit nemen.

21 En redders zullen stellig de berg Si̱on bestijgen, om het bergland van E̱sau te oordelen; en het koningschap moet van Jehovah worden.”