Jehovah’s scheppingen en wonderen
Jehovah schept en hij verricht wonderen. Heeft u zich ooit afgevraagd hoe water in bloed werd veranderd, de wateren van de Rode Zee werden gescheiden, Jezus uit een maagd werd geboren, en hoe andere in de bijbel beschreven wonderen in hun werk zijn gegaan? Daar het verstandelijke vermogen van de mens beperkt is, zal hij waarschijnlijk nooit begrijpen hoe sommige van deze wonderen zijn geschied, net zo min als hij ten volle het wonder kan begrijpen dat de zon elke dag op- en ondergaat. De schepping van de mens was een wonder. De moderne mens was er niet bij toen dat wonder geschiedde, maar hij weet dat het is geschied, want anders zou hij er nu niet zijn. Ja, al wat leeft en ook het gehele universum is één eeuwigdurend wonder. Hebben wij daarom reden tot twijfel wanneer er in Gods Woord, de bijbel, staat dat hij bepaalde wonderen verrichtte, die voor bepaalde tijden bedoeld waren, ook al bestaat thans niet meer de noodzaak voor dezelfde wonderen?
Al Jehovah’s scheppingswerken zijn wonderbaarlijk en prachtig! Zijn allereerste schepping was echter het wonderbaarlijkst van allemaal. Dit was de schepping van een geestenzoon, zijn „eerstgeborene” (Kolossenzen 1:15). Deze hemelse Zoon werd „het Woord” genoemd. Talloze eeuwen nadat hij was geschapen, kwam hij naar deze aarde en werd hij de „mens, Christus Jezus” genoemd (1 Timótheüs 2:5). Toen werd van hem gezegd: „Het Woord nu is vlees geworden en heeft onder ons verblijf gehouden, en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid zoals die van een eniggeboren zoon van een vader; en hij was vol onverdiende goedheid en waarheid.” — Johannes 1:14.
De verhouding tussen Jehovah en zijn Zoon kan vergeleken worden met die tussen de eigenaar-directeur van een bedrijf en zijn zoon, die helpt de dingen te vervaardigen die zijn vader ontworpen heeft. Door bemiddeling van zijn eerstgeboren Zoon en medewerker schiep Jehovah vele andere geestelijke schepselen, zonen van God. Later verheugden dezen zich toen zij zagen hoe Jehovah’s Zoon, zijn Meesterwerker, de stoffelijke hemel en de aarde waarop wij leven, voortbracht. Twijfelt u eraan dat deze dingen werden geschapen? Duizenden jaren later vroeg Jehovah aan een getrouw man: „Waar bevondt gij u, toen ik de aarde grondvestte? Vertel het mij, indien gij werkelijk over verstand beschikt. Toen de morgensterren te zamen een vreugdegeroep aanhieven, en alle zonen Gods voorts juichend hun instemming betuigden?” — Job 38:4, 7; Johannes 1:3.
Mettertijd schiep Jehovah levende, stoffelijke dingen op deze aarde: planten, bomen, bloemen, vissen, vogels en andere dieren (Genesis 1:11-13, 20-25). Vervolgens zei God tot zijn Meesterwerker: „’Laten wij de mens maken naar ons beeld, overeenkomstig onze gelijkenis . . .’ En God ging ertoe over de mens te scheppen naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep hij hem; als man en als vrouw schiep hij hen” (Genesis 1:26, 27). Daar de oorspronkelijke mens naar het beeld en de gelijkenis van God was geschapen, en dus ook Gods voornaamste eigenschappen liefde, wijsheid, gerechtigheid en macht bezat, was hij verreweg superieur aan de dieren. De mens vormt een klasse die apart staat van de dieren, omdat hij kan redeneren, toekomstplannen kan maken en het vermogen bezit God te aanbidden. Dieren bezitten geen verstand dat ze tot redeneren in staat stelt, maar leven volgens instinct. Het is beslist onredelijk te zeggen dat er geen Schepper is, maar dat het veelzijdig begaafde, met verstand begiftigde schepsel de mens is geëvolueerd uit niet met verstand begiftigde lagere dieren! — Psalm 92:6, 7; 139:14.
God plaatste de mens in „een tuin in Eden, tegen het oosten”. Het was een lusthof, zoals de tuin op de omslag van onze brochure, ook al waren er op dat ogenblik pas twee mensen — Adam en zijn vrouw. Dit oorspronkelijke paradijs bestaat niet meer — het werd namelijk in de vloed van Noachs dagen verwoest. Maar de plaats in het Midden-Oosten waar het ongeveer gelegen moet hebben, is bekend, want enkele van de rivieren die er volgens de bijbel doorheen stroomden, bestaan nog steeds (Genesis 2:7-14). De mens had de grootse gelegenheid om deze tuin te bebouwen en de grenzen ervan steeds verder te verleggen totdat de gehele aarde een paradijs zou zijn. — Jesaja 45:12, 18.
Daar God en zijn Zoon beiden werkers zijn, heeft God ook de mens hier op aarde werk te doen gegeven (Johannes 5:17). Tot Adam en Eva, de eerste man en vrouw, zei hij: „Weest vruchtbaar en wordt tot velen en vult de aarde en onderwerpt haar, en hebt de vissen der zee en de vliegende schepselen van de hemel en elk levend schepsel dat zich op de aarde beweegt, in onderworpenheid” (Genesis 1:28). Betekent dit dat de mens zich moest vermenigvuldigen, de aarde moest vullen en zich vervolgens moest blíjven vermenigvuldigen totdat de aarde overbevolkt zou zijn? Neen. Wanneer iemand u zegt dat u een kopje met thee moet vullen, blijft u niet schenken totdat de thee over de rand van het kopje en over de hele tafel stroomt. U vult het kopje en stopt dan. Precies zo werd door Jehovah’s gebod aan de mens, „Vult de aarde”, te kennen gegeven dat hij voornemens was de aarde in die mate door mensen te laten vullen dat zij er gerieflijk konden wonen, en daarna zou hij de voortplanting van de mensheid hier op aarde laten ophouden. Dit zou in een volmaakte mensenmaatschappij geen probleem zijn. Alleen in de hedendaagse wereld van de onvolmaakte mensheid vormt overbevolking een probleem.
Copyright © 2005 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. All rights reserved.
Horses: Kentucky Department of Travel Development; moose: USDA Forest Service
|
|